Sleepnetmethode Belastingdienst te grote inbreuk privacy

Afbeelding: Continental van Birgit Speulman | Licentie: CC BY-NC-SA 2.0

Het bedrijf SMS Parking hoeft geen parkeergegevens van klanten over te dragen aan de Belastingdienst. De sleepnetmethode van nu is niet meer vergelijkbaar met die van vroeger.

In het artikel SMS Parking hoeft parkeerinfo niet door te geven aan fiscus schrijft NRC:

Het bedrijf SMS Parking hoeft geen parkeergegevens van klanten over te dragen aan de Belastingdienst. Het verstrekken aan de overheid van informatie over welke automobilist waar parkeerde en wanneer precies zou een te grote inbreuk op de privacy van burgers zijn.

Uit het vonnis:

 

Artikel 8 EVRM luidt: […].  Vertaald naar dit geval mag het volgende worden vooropgesteld. Het vrijelijk gemotoriseerd gaan en staan (parkeren) waar men wil maakt deel uit van ieders privéleven. Het opvragen door de Belastingdienst van parkeergegevens bij SMSParking is een inmenging van openbaar gezag in de uitoefening van het recht op respect voor het privéleven van de klanten van SMSParking.

[…]

De tot het openbaar gezag gerichte en ter bescherming van de burgers strekkende hoofdregel in artikel 8 EVRM luidt voor zover in dit geval relevant: “een ieder heeft recht op respect voor privéleven” en “geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht”. Dit uitgangspunt in de relatie tussen burger en overheid is niet het veelgehoorde “wie niets te verbergen heeft, heeft ook niets te vrezen” maar “het dagelijks doen en laten van de burgers gaat de overheid niets aan”.

[…]

Iedere burger moet in beginsel een auto kunnen parkeren op een door die burger verkozen plaats in Nederland zonder dat de overheid behoeft te weten dat hij dat doet en waarom hij dat doet.

[…]

De Belastingdienst schrijft immers: “De belastingdienst zal deze gegevens gebruiken en behoeve van de motorrijtuigenbelasting, de belasring van personenauto’s en motorrijwi Zen 1992 (BPM), de belasting zware motorrijtuigen, de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting. ” Dat is een opsomming van veel en veelomvattende belastingen. Als dat alles ongeclausuleerd mogelijk is, lijkt de uitzondering in artikel 8 lid 2 EVRM hier veeleer als de regel te worden gehanteerd en de hoofdregel uit het zicht te verdwijnen.

[…]

Daarnaast moet de voorzieningenrechter in 2013 beslissen in een totaal andere maatschappelijke context dan de Hoge Raad in 1974. De gegevens van SMSParking waar het hier om gaat zijn een voorbeeld van de vele elektronisch vastgelegde gegevensbestanden die in 197 nog niet of nauwelijks bestonden. Die bestanden bevatten veel informatie die eenvoudig is te relateren aan gedrag van individuele burgers in hun privésfeer en die gegevens lijken zich te lenen voor analyse en gebruik door het openbaar gezag dat zich de belangen a s verwoord in artikel 8 lid 2 EVRM zegt aan te trekken. Dat doet in de samenleving de vraag ontstaan naar begrenzing onder meer, maar niet uitsluitend, ten aanzien van de gegevens die mogen worden gebruikt en de wijze waarop het openbaar gezag dat mag doen. Anders gezegd, waar de vastgelegde informatie over burgers enorm is toegenomen, dringt zich in het maatschappelijk debat steeds meer de vraag op: wat is de hoofdregel van artikel 8 EVRM voor de burger nog waard?

[…]

In deze zaak van SMSParking staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het hiervoor genoemde ongelimiteerde karakter van de aan SMSParking gevraagde privacygevoelige volledige parkeerinformatie van haar klanten, in samenhang met het in algemene termen omschreven oogmerk van de Belastingdienst aan toewijzing van de gevraagd voorlopige voorziening in de weg. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat het door de Bwlastingdienst van SMSParking verlangde meewerken aan een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van alle klanten die in 2012 van haar diensten gebruik hebben gemaakt evenredig is aan het door de Belastingdienst nagestreefde doel en, in de termen van art. 8 EV , voldoet aan de noodzakelijkheidseis. Het is niet aan de rechter en zeker niet aan de rechter in kort geding om in algemene zin te bepalen waar de grens precies moet liggen, maar hier gaat het verzoek in deze vorm naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval te ver, beoordeeld binnen het spanningsveld tussen artikel 8 EVRM en de Wbp enerzijds en artikel 53 AWR anderzijds.