Straks gezichtsherkenning op politie-drones mogelijk

Afbeelding: Support battalion Soldiers fly Raven UAV during annual training van Virginia Guard Public Affairs | Licentie: CC BY-NC 2.0

De brief van minister Opstelten aan de Tweede Kamer liep vertraging op omdat het moeilijk bleek te zijn een actueel en accuraat beeld te krijgen van het drone-gebruik door de politie.

In de brief aan de Tweede Kamer schrijft de minister:

De beantwoording van uw brief – ik ben mij dat terdege bewust – heeft vertraging ondergaan. Ik bied u daarvoor mijn verontschuldigingen aan. De afhandelingsduur heeft met name veel tijd gevergd vanwege het verkrijgen van een actueel en accuraat beeld rondom de onbemande luchtvaartuigen binnen de politie. Thans kan ik u het volgende berichten.

Uitgangspunt is dat voor opsporingsdoeleinden de nationale politie gebruik maakt van daarvoor bij het ministerie van Defensie beschikbare onbemande luchtvaartuigen. Feitelijk betekent dit dus de inzet van de Raven. Inzet van dergelijk materiaal kan overigens alleen onder gezag van het OM. Wanneer de politie, indien dit voor de taakuitvoering nodig is, materieel wil inzetten waarover het ministerie van Defensie niet beschikt, kan, na overleg met mij, tot aanschaf van afwijkend materieel worden overgegaan. In dit verband zij opgemerkt dat de Landelijke Eenheid begin 2014 een aantal onbemande luchtvaartuigen heeft aangeschaft in het kader van onderzoek en ontwikkeling, niet gericht op operationele inzet.

Het gebruik van onbemande luchtvaartuigen in de opsporing is omkleed met een vaste procedure: op diverse momenten in de procedure wordt de subsidiariteit en proportionaliteit van een voorgenomen inzet getoetst. De camera’s waarmee de Ravens zijn uitgerust, leveren geen beelden op waarop personen herkenbaar zijn.

Eventuele inbreuken op de privacy die het strafvorderlijke overheidsoptreden door gebruik van onbemande luchtvaartuigen in de toekomst met zich kan brengen, omdat personen wel herkenbaar in beeld worden gebracht, zijn rechtmatig indien wordt voldaan aan de voorwaarden die aan dat overheidsoptreden zijn verbonden. Als het om een beperkte inbreuk op de privacy zou gaan, kan het cameragebruik worden gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet 2012. Als het cameragebruik het karakter van stelselmatige observatie zou krijgen, moet aan de daarvoor geldende voorwaarden van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering worden voldaan.