Antwoorden kamervragen over toppositie bevragingen telecomgegevens

Een paar weken geleden werden kamervragen gesteld naar aanleiding van de berichtgeving over het grote aantal bevragingen van telecomgegevens door opsporings- en inlichtingendiensten.

In zijn antwoord schrijft de minister onder meer:

Het is correct dat er in 2009 door de (bijzondere)opsporingsdiensten 2 930 941 vragen zijn gesteld aan de telecom- en internetbedrijven via het CIOT-informatiesysteem (CIS). Het aantal vragen dat is gesteld door de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten is niet opgenomen in dit aantal. Het aantal van 78 000 bevraagde verkeers- en locatiegegevens is afkomstig uit een businesscase van een consultant. De juistheid hiervan kan ik niet bevestigen. Vermoedelijk betreft het een schatting.

[…] Het CIS is een hulpmiddel waarmee de (bijzondere) opsporingdiensten in Nederland efficiĆ«nt en veilig onderzoek kunnen verrichten. Een dergelijk hulpmiddel is niet in alle Europese landen voorhanden, hetgeen het relatief hoge aantal bevragingen in Nederland ten dele kan verklaren.

Het opvragen is bij wet geregeld en vormt een gerechtvaardigde inperking van het recht op privacy, zoals dat is neergelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 EVRM. […] In concrete gevallen kan de rechter worden gevraagd te oordelen over de vraag of de inbreuk in een specifiek geval rechtmatig was. Ik ben dan ook van mening dat er zorgvuldig met de privacy van burgers wordt omgegaan.

Het aantal vragen via het CIS wordt reeds jaarlijks gerapporteerd in het jaarverslag van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Een uitsplitsing hiervan naar opvragende instantie zal beschikbaar worden gemaakt via de website van het CIOT. Het aantal opgevraagde historische verkeersgegevens zal met ingang van dit jaar in het departementale jaarverslag worden opgenomen. De uitsplitsing hiervan naar opvragende instantie zal niet openbaar worden gemaakt omdat hieruit informatie zou kunnen worden afgeleid over afzonderlijke onderzoeken.