Geen onderbouwing noodzaak bewaarplicht

Afbeelding: Sébastien Bertrand

Vandaag publiceert de Europese Commissie haar evaluatie van de bewaarplicht. De evaluatie is bedroevend en moet reden zijn om de bewaarplicht ongedaan te maken. De bewaarplicht maakt structureel en grootschalig inbreuk op de privacy van miljoenen Europeanen. De commissie kan niet aantonen dat de bewaarplicht noodzakelijk is voor de bestrijding van ernstige criminaliteit.

The directive is here to stay”, zei Europees Commissaris Malmström vorig jaar op een Europees congres over de bewaarplicht. Geen woord aan gelogen, zo lijkt de evaluatie die de Europese Commissie geschreven heeft over de Data Retention Directive te zeggen. De nadruk ligt op voorstellen voor harmonisatie van de implementatie.

Deze Europese richtlijn verplicht internet- en telefoonaanbieders de abonnements- en verkeersgegevens van alle 500 miljoen Europese burgers tot twee jaar te bewaren. De Europese commissie constateert dat er grote verschillen zijn in de implementatie van de richtlijn door de verschillende lidstaten. Zo zijn de bewaartermijnen uiteenlopend, zijn de criteria voor de bevraging niet gelijk en worden de kosten die de internet- en telefoonaanbieders maken niet in elk land op dezelfde manier vergoed. De commissie zegt in het rapport voorstellen te zullen doen om die harmonisatie te verbeteren. Op meer fundamentele punten is de commissie minder uitgesproken.

In hoofdstuk zeven van het rapport worden de gevolg van de bewaarplicht op de fundamentele rechten, zoals het recht op privacy en de bescherming van persoonsgegevens, besproken. De commissie noemt onder meer de kritiek van burgerrechtenorganisaties. Zij zien geen rechtvaardig voor de bewaarplicht en vinden de noodzakelijkheid van de inperking van de privacy onvoldoende. De Artikel 29 WP noemt het risico van schending van vertrouwelijkheid van communicatie en vrijheid van meningsuiting dat inherent aan de opslag van verkeersgegeven. De European Data Protection Supervisor oordeelt dat de richtlijn onvoldoende voorziet in afbakening van de bevraging van de bewaarde gegevens. De commissie noemt tenslotte ook een aantal relevante zaken die voor het Europese Hof van Justitie zijn gebracht en die de vraag opwerpen of het Hof de bewaarplicht niet ook met het EVRM strijdig vind. In deze evaluatie wordt door de Europese Commissie niet veel met die kritiek gedaan.

Op dezelfde manier wordt voorbij gegaan aan het oordeel van de rechters die de implementatie van de bewaarplicht in hun land als ongrondwettig beoordeelden. De uitspraken in Duitsland, Roemenië en Tsjechië worden wel genoemd, maar dan slechts als constatering dat deze landen daarmee nog niet hebben voldaan aan de verplichting om de richtlijn in nationale wetgeving om te zetten. Dat geldt overigens ook voor landen als Zweden en Oostenrijk, waar de wetgeving vanwege de bezwaren nog altijd niet door het parlement is goedgekeurd.

De Nederlandse inbreng in de evaluatie is beperkt en waardeloos. Het rapport schrijft: “The Netherlands reported that, from January to July 2010, historical traffic data was a decisive factor in 24 court judgements.” Uit een eerdere analyse blijkt vijf over één en dezelfde zaak te gaan. Van 18 uitspraken is meer dan de helft voor het eerst voor de rechter gekomen op een moment voordat de bewaarplicht van kracht geworden is. Op twee na gaan alle uitspraken over een delict dat plaats vond voor de inwerkingtreding van de wet. In één van de vonnissen verwerpt de rechter zelfs het gebruik van de verkeersgegevens. De Nederlandse inbreng is geen onderbouwing van de werking of zelfs noodzaak van de bewaarplicht. Uit die inbreng wordt duidelijk dat de verkeersgegevens ook al voorhanden waren zonder de bewaarplicht.

Het klakkeloos overnemen van de Nederlandse inbreng geeft te denken over de waarde van de inbreng van de resterende landen. Tenminste, voor zover zij dat al hebben gedaan. Slechts driekwart van de lidstaten heeft statistieken aangeleverd, maar lang niet allemaal even gedifferentieerd. Bovendien zijn door verschillen in de implementaties de getallen niet te vergelijken. Op basis van de statistieken van negen lidstaten stelt de Europese Commissie vast dat rond negentig procent van alle bevragingen om gegevens van minder dan zes maanden oud gaan.

De noodzaak van deze richtlijn wordt met deze evaluatie in ieder geval niet aangetoond. De verplichting om alle abonnements- en verkeersgegevens van alle Europeanen structureel vast te leggen is geen effectief middel in de strijd tegen ernstige criminaliteit. De voortdurende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt de bewaarplicht verre van proportioneel. Over een aantal maanden komt de Europese Commissie met voorstellen om de situatie te verbeteren: het is te hopen dat zij de bewaarplicht intrekt.