Europese evaluatie bewaarplicht: Nederlandse inbreng waardeloos

In de Europese richtlijn 2006/24/EC die de basis voor de bewaarplicht vormde zijn twee artikelen opgenomen die er voor moeten zorgen dat de bewaarplicht na een jaar geëvalueerd wordt. De Nederlandse inbreng voor de Europese evaluatie van de Richtlijn bewaarplicht is bedroevend. De onderbouwing die het Ministerie van Justitie eerder dit jaar naar Brussel stuurde is vooral irrelevant.

Geen voorbereiding op evaluatie

In de richtlijn is vastgelegd dat de lidstaten jaarlijks statistische informatie verstrekken waaruit duidelijk moet worden hoe vaak de bewaarde gegevens met opsporings- en inlichtingendiensten zijn gedeeld, hoeveel tijd er verstreken is tussen het vastleggen en de bevraging en hoe vaak verzoeken niet konden worden ingewilligd. De Europese Commissie neemt deze statistische informatie op in een evaluatieverslag waarin de toepassing en de effecten van de richtlijn beoordeeld worden. De evaluatie moet antwoord geven op de vraag of de richtlijn aanpassing behoeft, met name met betrekking tot de gegevens die bewaard moeten worden en de bewaartermijnen.

Nederland heeft als een van de eerste lidstaten voldaan aan die inbreng. Naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur maakt het Ministerie van Veiligheid en Justitie recent de brief die zij aan de Europese Commissie stuurde, openbaar. Uit de brief blijkt dat het ministerie bijzonder weinig tijd heeft besteed aan de evaluatie en dat de onderbouwing vooral irrelevant is.

De Europese Commissie, blijkt uit een brief aan de lidstaten, wil graag weten of de bewaarde gegevens een bepalende rol hebben gespeeld bij veroordelingen, vrijspraken, niet verdere vervolging of bij het voorkomen van misdrijven. “In Nederland worden deze gegevens niet voor dit doel geregistreerd, zodat niet per gegevenssoort en er fase in het strafproces kan worden aangegeven welke (bepalende) rol de gegevens hebben gespeeld”, zo schrijft de minister. De beantwoording “is bescheiden, gezien de beperkte tijd en het verzoek in de vakantieperiode is uitgezet”. De richtlijn is begin 2006 aangenomen.

Gebrekkige onderbouwing noodzaak en effectivitieit

In een van de bijlage draagt de Raad van Korpschefs een aantal voorbeelden uit de praktijk aan. De beschrijvingen zijn door een gebrek aan detail geen onderbouwing te noemen omdat er niet uit af te leiden is of de verkeersgegevens een cruciale rol hebben gespeeld en hoeveel tijd er tussen het delict en de bevraging is verstreken.

De minister heeft daarnaast alle uitspraken van rechters in 2010 bij elkaar gezocht waarin het woord “verkeersgegevens” voorkwam. Van de 24 genoemde zaken zijn er twee ongepubliceerd en vijf vonnissen lijken over hetzelfde delict te gaan. Van de resterende 18 uitspraken is meer dan de helft van de zaken voor het eerst in de rechtbank behandeld op een moment voordat de bewaarplicht van kracht geworden is. Op twee na gaan ook alle uitspraken over een delict van voor de inwerkingtreding van de wet.

Het overzicht is geen onderbouwing van de werking of zelfs noodzaak van de bewaarplicht. De voorbeelden die het ministerie aandraagt bevestigen dat verkeersgegevens soms een rol in de bewijsvoering van een strafzaak spelen. Ook wordt duidelijk dat die verkeersgegevens ook al voorhanden waren zonder de bewaarplicht. In een van de zaken zet de rechter zelfs een streep door het gebruik van de verkeersgegevens:

De conclusie […] dat op grond van de schrijfstijl van de smsjes en de meetgegevens kan worden aangenomen dat deze van verdachte afkomstig zijn, lijkt in het licht van deze feiten dan ook niet juist. De rechtbank zal dan ook de verkeersgegevens […] niet gebruiken voor het bewijs.

De Minister van Justitie schrijft verder zonder enige onderbouwing dat in 65% van alle opsporingsonderzoeken gebruik gemaakt wordt van historische verkeersgegevens. Hij verwacht dat er er in 2010 totaal 85.000 bevragingen zullen plaatsvinden. Op basis van de door het ministerie opgestelde schattingen, is dat een toename van 9% ten opzicht van 2009.

Het evaluatierapport had volgens de richtlijn voor 15 september opgeleverd moeten worden. Dat is niet gelukt. Vandaag is er in Brussel een conferentie over die evaluatie.