Gebrek helder doel geen obstakel voor internetfilter

Het Ministerie van Justitie werkt nauw samen met internet providers en het Meldpunt Kinderporno aan een filter om websites met afbeeldingen van seksueel kindermisbruik te blokkeren. Er is veel onduidelijk over de opzet, de voortgang van het proces en de afspraken tussen de betrokken partijen. Als de minister op grond van de Wet openbaarheid van bestuur wordt gevraagd informatie openbaar te maken, wordt vrijwel alles geweigerd. Met gevaarlijke symboolpolitiek als gevolg.

Vrijwel alle documenten geweigerd

Het filteren van afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen is een project van internet providers in samenwerking met het Meldpunt Kinderporno. De rol van het ministerie is beperkt tot het stimuleren van die zelfregulering en neemt het naar eigen zeggen zelf geen uitvoerende taken op zich. Ze wordt door de betrokkenen op de hoogte gehouden, maar is zelf geen partner in de afspraken die providers en het meldpunt maken. Om de belangen van de providers en de werking van het filter niet te schaden, wordt de meeste informatie achter gehouden, zo schrijft het ministerie.

De minister wijst nog wel op de documenten die nu al openbaar zijn, zoals zijn brieven aan de Tweede Kamer van 15 september 2008, van 21 december 2009 en die van 30 maart 2010.

Zwarte lijst zonder procedures en criteria

Met die eerste brief stuurde de minister het rapport Filteren van kinderporno op internet naar de Tweede Kamer. Het rapport, opgesteld door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum van het ministerie, was erg kritisch op het filter dat toen door de KLPD werd bijgehouden. Het filter was niet gebaseerd op formele wetgeving en derhalve in strijd met artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Voor het beheer van de lijst waren geen procedures vastgelegd en toetsbare criteria voor het opnemen van een website op de lijst waren evenmin geformuleerd. Het gevolg was dat de lijst bijzonder slecht bijgehouden werd. De onderzoekers beschrijven vier mogelijke manieren om een filter op te zetten. De minister kiest  voor het “Scandinavische model”, waarbij de branche vrijwillig zelfregulering toepast.

Op verzoek van het Ministerie van Justitie schreef het adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) een rapport over de mogelijke invulling van die zelfregulering. Dit rapport, Publiekeprivate bestrijding van kinderporno op internet, heeft de minister nu openbaar gemaakt. Een oudere versie van het rapport was overigens al een week na het opstellen gelekt en beschikbaar via Wikileaks [lokale kopie].

In de recentere versie van het rapport is het onderwerp financiering geschrapt. In de financiering moet worden voorzien door een subsidie van het Ministerie van Justitie, een vergoeding van de providers voor het gebruik van de zwarte lijst en incidentele subsidies voor projecten. De vergoeding die de providers betalen, is voorgesteld op 5.000 voor kleinere providers tot 15.000 voor de grotere. Met die 600.000 euro totaal kan een blacklisting organisatie opgezet worden. Naast de directeur en een administratief medewerker werken er drie mensen wiens dagtaak het beoordelen van de meldingen is.

Publiekprivate bestrijding

Sindsdien heeft het ministerie vooral een stimulerende rol. Een aantal internet providers en het Meldpunt Kinderporno werken nu samen aan een systeem voor het filteren van afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen. Het overleg over dat filter vinden plaatsen in het door de stichting ECP / EPN gefaciliteerde Platform Internetveiligheid. Het tweede document dat openbaar wordt gemaakt, is een paragraaf uit het Terms of Reference van het Platform Internetveiligheid. Omdat het Ministerie van Justitie deel uitmaakt van dat platform, blijft de minister op de hoogte van de vorderingen van de providers en het meldpunt.

De minister noemt in de beslissing de vijf providers die meewerken aan de implementatie van het filter: UPC, KPN, Ziggo, Vodafone en T-Mobile. Onder de pet van KPN vallen drie internet providers, te weten XS4ALL, Telfort en KPN Internet. Deze providers samen hebben, volgens OPTA’s marktmonitor, 85% van de breedbandmarkt in handen.

Meer dan die twee genoemde documenten wil het ministerie niet openbaar maken. De minister stelt dat de afspraken tussen de internet providers en het meldpunt gemaakt worden en zij hierin geen partij is. De providers maken bezwaar tegen het openbaar maken van documenten die betrekking hebben op de technische inrichting van het filter.

Het gaat om documenten van de betrokken private partijen die zij in vertrouwelijkheid hebben gedeeld. Zij hebben kenbaar gemaakt er bezwaar tegen te hebben dat dergelijke documenten, voorzover ik die via het Platform heb ontvangen, openbaar worden gemaakt. […] Ik ben van mening dat de betrokken ISP’s onevenredig worden benadeeld wanneer documenten waarin de technische inrichting van het filter beschreven staan openbaar worden gemaakt. Door openbaarmaking daarvan zouden derden het filter kunnen omzeilen, waardoor de werking van het filter gefrustreerd wordt.

De minister verwijst hierbij naar de uitzonderingsgrond in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur. Het minister geeft aan dat frustratie van de werking van het filter onevenredige benadeling met zich meebrengt. Dat argument gaat om meerdere redenen niet op. Ingewijden bevestigen dat het filter gebaseerd is op het filteren van hostnames. Dat is in ook in overeenstemming met het advies:

voorkeur ISP’s voor pragmatische start met filtertechnieken op DNS- of URL-niveau

Het is direct te achterhalen dat op DNS-niveau wordt gefilterd en omzeilen ervan is kinderlijk eenvoudig. Het enige dat de gebruiker hoeft te doen, is het gebruiken van een andere nameserver dan die van zijn provider. Google biedt dat als dienst aan, net als OpenDNS.

Het proberen te beveiligen van een systeem door niets te zeggen over de gebruikte methodiek is binnen de IT bekend als security through obscurity. Het achterhaalde concept om te denken dat een systeem veilig is als men niet transparant over de werking is, levert slechts schijnveiligheid. Een goed filter is zo ingericht dat het zijn effectiviteit behoudt, ook als de methodiek van filteren bekend is.

En eigenlijk is het argument al helemaal niet goed op waarde te schatten omdat het doel van het filter niet duidelijk is. Als het filter bijvoorbeeld bedoeld is om te voorkomen dat de argeloze internet gebruiker op een website met afbeeldingen van seksueel kindermisbruik terecht komt, dan kan dat geen reden zijn om niet ook transparant te zijn over de toegepaste methode.

Maar waarom eigenlijk?

Het is frappant om te moeten constateren dat nergens echt helder is omschreven wat we nu eigenlijk willen bereiken met het filter. De allereerste incarnatie van het filter is gebaseerd op een motie van twee parlementariërs:

[…] overwegende, dat via internet en aanverwante media op grote schaal verspreiding van kinderpornografisch materiaal plaatsvindt en adequate bestrijding hiervan geboden is; […] verzoekt de regering om de verdere uitbouw en toepassing van de technische mogelijkheden tot het blokkeren, filteren of afsluiten van kinderpornografisch materiaal op internet en andere media te bevorderen […]

In de eerder genoemde brieven van de minster aan de Tweede Kamer wordt het doel nooit nauwkeurig geformuleerd. Het risico bestaat dat filter gaandeweg wordt uitgebreid. Politici spreken zich nu al niet nadrukkelijk uit tegen het filteren van auteursrechtelijk beschermd materiaal en een adviescommissie opperde recent om websites waar illegaal gegokt kan worden te filteren. Het is dan ook alleen maar belangrijker om helder te krijgen wat het doel is van het huidige filter. In het verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur werd de minister verzocht om alle documenten die betrekking hebben op de precieze doelstellingen van het filter openbaar te maken.

De minster zegt in zijn beslissing niet te beschikken over documenten die betrekking hebben op de precieze doelstellingen. Wel herhaalt hij de opmerkingen uit zijn brieven aan de Tweede Kamer:

Ik beschik niet over documenten die betrekking hebben op de precieze doelstellingen van het filter. In het overleg met de providers is wel gesproken over het blokkeren van sites (waarvoor bijna altijd betaald dient te worden) met kinderpornografie die worden gehost in landen ten aanzien waarvan het op basis van ervaring van de Nederlandse politie om verschillende redenen feitelijk onmogelijk is gebleken via rechtshulpkanalen de sites aan te pakken.

In het adviesrapport dat nu openbaar geworden is, is duidelijk dat er verschillende kwaliteiten aan het filter worden toebedacht:

Geïnterviewden zien internetfiltering als een instrument om ongewenste confrontatie met kinderporno te voorkomen. Bovendien wordt door het filteren en blokkeren van kinderporno op internet een duidelijk maatschappelijk signaal afgegeven. Overheidsorganisaties benadrukken dat internetfiltering onderdeel is van een bredere aanpak gericht op de bestrijding van kinderporno. Filteren en blokkeren van kinderporno belemmert de verspreiding en verstoort daarmee ‘de markt’.

Het filter is eigenlijk voor geen van deze doelen geschikt, laat staan proportioneel.

Hoe groot is bijvoorbeeld het risico dat een willekeurige internetgebruiker een ongewenste confrontatie met afbeeldingen van seksueel kindermisbruik heeft? Daar zijn geen cijfers over te vinden, maar als fervent gebruiker ben ik in 15 jaar nog nooit per ongeluk op dat soort afbeeldingen gestuit. En de argeloze gebruiker komt natuurlijk al helemaal niet per ongeluk op een website waarvoor betaald moet worden.

De distributie van afbeeldingen van seksueel kindermisbruik gebeurt door professionals en de gebruikte techniek om uit het zicht van handhavers van de wet te blijven is complex. Als het voorgestelde filter iets tegenhoudt, dan is het het werk van de kleine kruimeldieven, die verder van geen enkele betekenis zijn in deze markt. Een filter dat zo gemakkelijk te omzeilen is, is geen filter dat ook maar enig effect zal hebben op professioneel geproduceerde en verspreide afbeeldingen van seksueel kindermisbruik.

De providers zitten in een ongemakkelijke positie. Wie tegen een filter is, is voor kinderporno. De vraag of een filter eigenlijk wel een effectief en proportioneel instrument is, wordt niet gesteld. De onderzoekers van het ministerie schreven dat bij filtering namens de overheid het noodzakelijk is dat zorgvuldig gekeken wordt naar het toegepaste middel en er permanente geverifieerd moet worden of het beoogde doel wel wordt gehaald. Dat vereist dat effecten meetbaar zijn, iets dat nooit zal lukken zonder vooraf opgestelde en toetsbare criteria. Zonder die permanente toetsing kan niet worden beoordeeld of het filter niet in strijd komt met artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 EVRM, aldus het de onderzoekers van het ministerie.

Elke vorm van filtering heeft in meer of mindere mate impact op de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van meningsvorming en de vrijheid van informatieverzameling. Met function creep op de loer is dit filter een paardenmiddel. Omwille daarvan is maximale openheid, transparantie en controleerbaarheid essentieel.

Controleerbaarheid en transparantie

In het rapport van het adviesbureau wordt een paragraaf gewijd aan die controleerbaarheid en transparantie van het proces. Vanzelfsprekend kan de inhoud van de lijst zelf niet openbaar worden gemaakt. De onderzoekers zien dan ook de oplossing uit een aantal andere maatregelen. Onder meer de beschrijving, publicatie en evaluatie van het blacklistingproces en de klachtenprocedure én een jaarlijkse audit van die twee worden genoemd. De audit zou uitgevoerd moeten worden door een externe en onafhankelijke partij en moet conclusies en aanbevelingen ten aanzien van de kwaliteit, doelmatigheid en effectiviteit van de procedures omvatten. De audit moet tenslotte openbaar zijn.

De betrokken partijen zouden in dit stadium al aan de controleerbaarheid en transparantie kunnen bijdragen door nu al open te zijn ten aanzien van de precieze doelstelling en de technische inrichting.