Overzicht boetes identificatieplicht 2005 – 2007

Buro Jansen & Janssen publiceerde eerder dit jaar een aantal documenten over de identificatieplicht, die zij met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur hadden gekregen. Een van de documenten is een overzicht van alle boetes die tussen 2005 en 2007 voor overtredingen van de identificatieplicht zijn uitgeschreven.

Overzicht processen verbaal identificatieplicht

De meeste documenten die door Buro Jansen & Janssen boven water zijn gekregen, gaan over de boetes die zijn opgelegd voor een overtreding van artikel 447e Wetboek van Strafrecht luidt:

Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

Dat artikel (artikel 2 Wet op de identificatieplicht) zegt op zijn beurt:

Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet 1993, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden. […]

Een deel van de verkegen bestanden zijn overzichten die door het Centraal Justitieel Incassobureau Bureau (CJIB) zijn opgesteld. In sommige gevallen, zoals het overzicht van alle processen verbaal, zijn opgesteld in opdracht van het ministerie voor een eigen onderzoek.

Het is bijzonder lastig om al het cijfermateriaal op waarde en nauwkeurigheid te beoordelen. Zo spreekt bijvoorbeeld het document “Overzicht WID, waarbij er geen combinatie is gevonden met een andere overtreding (WAHV of Trias) van in totaal 66.226 bekeuringen voor het niet tonen van een identificatiebewijs, terwijl het bestand met alle uitgeschreven processen verbaal er grofweg 4.000 meer heeft. Dat zal zonder twijfel verklaarbaar zijn, maar mij is de reden bekend. Dat verschil zal wel niet bedoeld worden met de waarschuwing die bij veel van de documenten te vinden zijn: “de cijfers zijn niet met 100% zekerheid te garanderen”.

Doel van de identificatieplicht

Het doel van de identicatieplicht is terug te vinden in de Memorie van Toelichting van de Wet op de identificatieplicht, die aangenomen is in 2005.

Daarom mag de politie naar de identiteit van burgers vragen, maar als iedereen daarbij een willekeurige naam kan opgeven zonder dat dit geverifieerd kan worden of zonder gevolgen blijft, is dat geen wezenlijke bijdrage aan toezicht en controle. Dan boet de politie in aan effectiviteit en daarom zijn burgers niet alleen gehouden hun naam kenbaar te maken, maar ook een identiteitsbewijs te tonen. Meer in het algemeen moet anonimiteit in de publieke ruimte geen excuus worden om zich achter te verschuilen en zich te onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor zijn optreden. Dat gebeurt nu nog te vaak en het wetsvoorstel wil daarin verandering brengen.

Uit de Memorie van Toelichting wordt bovendien duidelijk dat ook alleen dat de bedoeling is. De politie mag dus geen controles uitvoeren waarvan het enige doel de handhaving van de identicatieplicht is. Controleren of je voldoet aan de identiteitsplicht mag dus pas te gebeuren als iemand al staande is gehouden vanwege de verdenking van een andere overtreding.

Toepassing lang niet altijd conform doel

De bedoeling van de wetgever is dat alleen dan het identiteitsbewijs gevorderd kan worden, indien iemand al verdacht wordt van een andere overtreding. Uit de openbaar gemaakte documenten blijkt dat dat in de praktijk lang niet altijd aantoonbaar het geval is.
Een van de documenten is een overzicht van de boetes die in 2005 en 2006 zijn opgelegd, maar waarvoor geen combinatie met een andere overtreding is gevonden. Het gaat om boetes met de feitcode “D517”, oftewel het “niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden”. Voor het overzicht zijn het aantal boetes per politiekorps geteld en is gekeken of er ook andere boetes met een overeenkomstig tijdstip, plaats en overtreder geregistreerd zijn. Daarvoor is gekeken in de WAHV en TRIAS systemen. Het ene systeem bevat de lichte verkeersovertredingen, zoals het door rood licht rijden en het rijden zonder gordel of helm, het andere systeem registreert boetes die terplekke door de politie zijn uitgeschreven.
Uit de gegevens blijkt dat in 2006 in totaal 40.887 boetes zijn uitgeschreven voor het niet kunnen tonen van een identificatiebewijs. Voor 11.445 boetes is er een combinerende boete terug te vinden in het TRIAS. In het WAHV zijn er 4.420 combinerende boetes terug te vinden. In 25.022 gevallen is er dus geen boete terug te vinden. Een jaar eerder was dat niet anders. Op een totaal van 66.226 boetes, waren er voor 16.717 combinerende boetes in het TRIAS te vinden en 6.975 in het WAHV. In 2005 werden dus 42.533 boetes voor de identificatieplicht uitgeschreven zonder dat er een andere boete.
Wel is sympathiek dat alle betrokkenen, zoals politie en het Openbaar Ministerie, in de beleidsdocumenten duidelijk de redelijkheid niet uit het oog verliezen. Als het niet gepast is om van iemand een identiteitsbewijs te vorderen, dan mag er niet om gevraagd worden of, bij het niet direct kunnen voldoen aan de vordering, geen proces verbaal worden opgemaakt. Dat kan zijn als iemand’s identiteit al bekend is, als iemand erg verward of een ooggetuige is, of als iemand anders het identiteitsbewijs van de verdachte op het bureau komt brengen.
De wet zou effectief genoemd kunnen worden als het aantal boetes dat niet ingeïnd kan worden aanzienlijk is gedaald. Deze documenten zeggen daar niet zo veel over, helaas.

Aantal sancties identificatieplicht dalende

Uit de openbaar gemaakte gegevens blijkt het aantal boetes voor het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs sterk af te nemen in de loop van de tijd. Een verklaring is daarvoor niet gegeven, maar uit het overzicht blijkt wel dat in de eerste maanden mensen niet op de hoogte waren van de nieuwe wet of gewoon laks waren met het dragen van een papiertje.

In december 2007 is een sterke daling te zien, de oorzaak hiervan is niet bekend. De vier grote steden vertonen grofweg dezelfde trends. Opmerkelijk is de jaarlijkse dip van het aantal boetes in februari.

Wildplassers en fietsers zonder licht

Zoals duidelijk wordt uit de wetsgeschiedenis mag het identiteitsbewijs alleen gevorderd worden als iemand al een andere overtreding begaat.

Een van de documenten bevat een opsomming van alle processen verbaal die voor het niet kunnen tonen van een identificatiebewijs die in 2005, 2006 en 2007 zijn uitgeschreven. Een politieagent die een boete uitschrijft, schrijft zijn kant van het verhaal in het veld “opmerkingen van de verbalisant” op het proces verbaal. Bij de meeste boetes in dat overzicht is dat veld overgenomen en daardoor is een inschatting te maken van die andere overtreding. Dat is alleen veel handmatig werk. Bij 12.506 van de 138.719 boetes is ook een code vermeld voor de overtreding die, naast het niet kunnen tonen van een identificatiebewijs, is plaatsvond.

In de tabel is op basis van die 12.506 boetes een overzicht gegeven van de meest voorkomende overtredingen.

aantal omschrijving overtreding (gegeven samen met boete identificatieplicht)
6.594 als bestuurder van een fiets bij nacht/ dag indien het zicht slecht is geen voor- en/of achterlicht voeren
5.133 bestuurder of passagier bromfiets draagt geen goedgekeurde, goedpassende deugdelijk bevestigde helm
3.591 als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel
3.120 met stoppen voor rood licht driekleurig verkeerslicht
1.887 als (snor)fietser bij ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)

 

Er zijn overigens ook wel wat andere documenten openbaar gemaakt met daarin getallen over die andere boete. Uit een document van het CJIB met daarin de meest voorkomende TRIAS boetes in 2005:

Uit een soortgelijk document, maar dan voor de meest voorkomende verkeersboetes, de zogenaamde Mulder overtredingen, in 2005:

Op basis van deze gegevens kun je, zonder de informatie verder te doorzoeken, zeggen welke leeftijdsgroepen de meeste boetes hebben moeten betalen. De grafiek hiernaast is over de hele set gegevens, maar is om uiteenlopende redenen niet volledig accuraat.

Formaat databestand

Buro Jansen & Janssen publiceert het bestand met alle processen verbaal van 2005, 2006 en 2007 op haar website. Zij hadden opmerkingen over het bestandsformaat:

Het bestand is een notepad document en kent een nogal chaotische structuur. “Het bestand is een tekstbestand waarin de kolommen gescheiden zijn door een “tab”,” schrijft de behulpzame medewerker van het CJIB. Helaas houdt openbaarheid niet in dat wij van de overheid een excel document kunnen eisen. Dit is het document waarmee u het moet doen.

Persoonlijk vind ik dat geen enkel probleem. Onbewerkte en ongeconverteerde documenten zorgen er voor dat er niet per ongeluk belangrijke informatie verloren gaat door dat er in de bewerking een fout is geslopen. Het oorspronkelijke bestandsformaat, platte tekst, is ook om andere redenen erg geschikt voor dit soort doeleinden: een open bestandsformaat kan door iedereen gelezen worden. Dat komt de openbaarheid wel degelijk ten goede.

Ik heb het bestand in een database ingelezen, download hier de mysqldump. Alle documenten die Buro Jansen & Janssen boven water hebben gekregen lijken te vinden zijn in dit overzicht op identicatieplicht.nl.