Politie gebruikt drones soms voor stelselmatige observatie

Afbeelding: Harlingen van Qsimple | Licentie: CC BY-NC-SA 2.0

De politie weerspreekt de minister van Veiligheid en Justitie als het gaat om resultaten en de duur van de inzet.

Toen bekend werd dat politie veelvuldig drones van het Nederlandse leger inzette, was er direct de nodige onrust. Mocht het wel? Natuurlijk werd er ook gespeculeerd over de rechtsgrond waarop de inzet van de drones was gebaseerd. Want, cameratoezicht is aan voorwaarden gebonden en daar leek niet aan te zijn voldaan.

De antwoorden van de minister op vragen van de Tweede Kamer hielpen ook niet. In zijn brief verwijst hij naast naar de regels voor militaire bijstand ook naar de algemene taakomschrijving in artikel 3 van de Politiewet. Dat geeft de politie weliswaar enige speelruimte, maar als het gebruikte opsporingsmiddel een grote inbreuk op de privacy maakt, zoals bij drones, dan moet er een specifieke wettelijke grondslag voor bestaan.

Uit recent openbaar gemaakte documenten blijkt nu dat de politie de drones soms inzet op grond van het wetsartikel waarmee de politie verdachten voor een langere tijd in de gaten mag houden. In de beslissing op het Wob-verzoek schrijft de politie:

De inzet vond plaats op basis van (het toenmalige) artikel 2 Politiewet 1993 / artikel 141 Wetboek van Strafvordering en vormde een (technische) aanvulling op de ingezette stelselmatige observatie cf. artikel 126g Wetboek van Strafvordering, op bevel van de officier van justitie; meer specifiek werd de inzet van de drone bepaald door de officier van justitie op basis van artikel 126g, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

Op grond van dat artikel mag “in geval van verdenking van een misdrijf, […] de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarneemt.”

Die inzet is overigens uiteindelijk zeer beperkt geweest. In het formulier wordt gevraagd om militaire bijstand op een zestal avonden. Het luchtruim in boven Harlingen wordt gedurende die zes dagen ook vrijgehouden. Maar uiteindelijk heeft de drone van Defensie niet meer dan 15 minuten in de lucht gehangen:

Er zijn op zes dagen drones ingezet boven het gebied van de gemeente / stad Harlingen, te weten: 7, 8, 9, 14, 15 en 16 december 2012. De totale inzetduur- dus over alle dagen gezamenlijk – bedroeg maximaal 15 minuten.

Opmerkelijk, want de politie stelde eerder dat de drones “vijf weken lang, meestal van dinsdag tot en met vrijdagochtend vijf uur zijn ingezet.”

Waarschijnlijk zonder resultaat overigens, want de minister vermeldde alleen de vondst van hennepkwekerijen als resultaat van de veelvuldige inzet van drones door de politie. En ook dat is verrassend. Eerder claimde de politie dat “dankzij de observaties met de vliegtuigjes de eerste twee verdachten in februari van hun bed konden worden gelicht.”

De politie Noord-Nederland maakte het aanvraagformulier voor de inzet van de drones (ongedateerd) van Defensie openbaar na een beslissing op een verzoek (1 mei 2013) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.