Providers: internetfilter geen effectief middel

Nederlandse internetproviders vinden een internetfilter geen effectief middel meer in de strijd tegen afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen. Dat zei staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) begin december in de Tweede Kamer. Hij baseerde zich op een brief van het Platform Internetveiligheid, het samenwerkingsverband van providers en het Meldpunt Kinderporno. Die brief is nu, na maanden van onnodig uitstel, openbaar gemaakt.

In de brief schrijven de internetproviders en het meldpunt dat ze het over belangrijke onderdelen van het internetfilter eens zijn geworden, zoals de criteria en de technische inrichting. Ook hebben de partijen het benodigde geld toegezegd. Maar in tussentijd is de situatie erg veranderd. Maar sinds de motie voor een internetfilter door de Tweede Kamer werd aangenomen is het aantal websites om te blokkeren geminimaliseerd. De afname is, zo schrijft het platform, een gevolg van de opkomst van alternatieve technieken voor het verspreiden van grote bestanden. Ook is de nationale en internationale opsporing effectiever geworden.

Het platform schrijft aan de minister dat de omvang van het aantal commerciële websites met afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen drastisch is afgenomen en er “nagenoeg geen websites over blijven om te blokkeren”. Op basis van de gegevens van het Meldpunt Kinderporno komen de internetproviders tot de conclusie dat een filter niet langer “als probaat en effectief instrument kan dienen om bij te dragen aan de bestrijding van kinderporno op internet.” De internetproviders willen het filter niet langer.

Die helderheid heeft lang op zich laten wachten. De hoofdlijnen waren al duidelijk toen de staatssecretaris begin december de brief in de Tweede Kamer besprak. Op 20 december ontving het ministerie mijn verzoek voor het openbaar maken van deze brief. De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verplicht het ministerie zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken een beslissing te nemen. Met een verdaging van nog eens vier weken had het ministerie de brief uiterlijk 14 februari openbaar moeten maken. Die termijn heeft het ministerie, zonder geldige wetsgrond, met bijna drie weken overschreden.

Half februari zei het ministerie desgevraagd dat er geen geldige reden is voor verder uitstel maar dat er “nog meer afstemming met betrokkenen” noodzakelijk was. Dat het ministerie zoveel tijd nodig heeft gehad, is volstrekt onbegrijpelijk. Het gaat om één enkele brief waarbij van enige uitzonderingsgronden geen sprake kan zijn. De brief is door de staatssecretaris ook al aan de Tweede Kamer beloofd en dat betekent dat vroeg of laat de brief hoe dan ook integraal openbaar wordt gemaakt.

De obstructie van het ministerie maakt goede beslissingen over internetfilters lastig. Zo stemde half februari het Europese parlement over internetfilters voor elk van de lidstaten. Het behoeft geen betoog dat deze brief van het Platform Internetveiligheid een belangrijke rol had kunnen spelen in de discussie die aan die stemming vooraf ging. Gelukkig hebben de leden van de Commissie Burgerlijke Vrijheden het verplichte filter in deze oriënterende stemronde verworpen.

Dit artikel is ook gepubliceerd bij Sargasso.