Antiterrorisme wetgeving nog nooit getoetst aan fundamentele rechten

De meeste wetgeving die is aangenomen voor de bestrijding van terrorisme, is nog niet getoetst aan fundamentele rechten door een rechter. Onderzoekers menen dat sommige wetgeving op gespannen voet staat met het EVRM.

Het rapport Antiterrorismemaatregelen in Nederland in het eerste decennium van de 21e eeuw gaat over de antiterrorismemaatregelen die in Nederland sinds 2001 van kracht zijn geworden. Het rapport is opgesteld door de Radboud Universiteit, in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

In de conclusie schrijven de onderzoekers:

Toetsing maatregelen aan fundamentele rechten door Nederlandse rechter

De in dit onderzoek behandelde maatregelen zijn tot nu toe nauwelijks of niet door de Nederlandse rechter aan fundamentele rechten getoetst. Soms is dat te verklaren doordat de betreffende maatregel nog niet is aangenomen, dan wel nog niet zo lang in werking is getreden. Dit doet zich voor bij respectievelijk de voorstel-Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid en de Wet training voor terrorisme. Soms lijkt de maatregel nog nauwelijks te zijn toegepast, zoals de Wet afgeschermde getuigen en de Wet opsporing en vervolging terroristische misdrijven.

Daarentegen speelde de Wet terroristische misdrijven al een rol in tientallen strafzaken, waaronder de bekende zaak-Mohammed B., de Piranhazaken en de Hofstadgroepzaken. In deze zaken wordt echter niet of nauwelijks aan fundamentele rechten getoetst. Enkel de maatregel persoonsgericht verstoren is tweemaal door de Nederlandse rechter getoetst aan fundamentele rechten. De toepassing van de maatregel werd daarbij eenmaal in strijd bevonden met het proportionaliteitsvereiste dat geldt voor het recht op privéleven uit artikel 8 EVRM. De maatregel zelf werd in beide zaken niet in strijd geacht met enig nationaal of internationaal fundamenteel recht.

Toetsing maatregelen aan fundamentele rechten door internationale instanties

Geen van de maatregelen is tot dusver door het EHRM getoetst aan een van de bepalingen van het EVRM of protocollen daarbij. Dat is in elk geval in zoverre niet verwonderlijk dat verschillende van de onderzochte maatregelen van tamelijk recente datum zijn. […]

Met uitzondering van de Wet training voor terrorisme zijn alle maatregelen wel door de Commissaris voor de Rechten van de Mens van de Raad van Europa beoordeeld. Deze heeft zich kritisch tot zeer kritisch over die maatregelen uitgelaten. Zo vindt hij de begrippen in de materieelstrafrechtelijke Wet terroristische misdrijven en de strafvorderlijke Wet opsporing en vervolging terroristische misdrijven te vaag en ruim. Ten aanzien van laatstgenoemde wet constateert hij voorts spanning met het recht op verdediging uit artikel 6 EVRM vanwege de mogelijkheid de verdediging langere tijd inzage van stukken te onthouden.

Over de Wet afgeschermde getuigen oordeelt hij dat er afbreuk wordt gedaan aan de positie van de verdediging onder meer omdat de verdediging niet altijd het verhoor van de afgeschermde getuigen kan bijwonen, de getuige in de meeste zaken anoniem zal blijven en deze bovendien een beslissende rol heeft in het besluit of het proces-verbaal van het verhoor in het strafproces zal worden ingebracht. Volgens de commissaris leveren voorts de voorstel-Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid en de maatregel persoonsgericht verstoren spanning op met een aantal rechten uit het EVRM.

Tot slot zijn er ook door verschillende van de VN-verdragcomités kritische vragen gesteld, opmerkingen gemaakt en aanbevelingen gedaan in relatie tot enkele van de antiterrorismemaatregelen. Dat geldt voor de Wet opsporing en vervolging terroristische misdrijven, de Wet afgeschermde getuigen, de voorstel-Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid en de maatregel persoonsgericht verstoren.

Beoordeling maatregelen in licht van toepasselijke rechtspraak EHRM

[…]

it die analyse vloeit als eerste de belangrijke conclusie voort dat voor geen van de behandelde wetten of andersoortige maatregelen geldt dat die reeds op zichzelf zeker of hoogstwaarschijnlijk in strijd is met het EVRM. Maar de analyse leidt voor een aantal wetten wel tot de conclusie dat bepalingen daaruit bij eventuele toetsing door het Hof reeds op zichzelf mogelijk onvoldoende voorzienbaar zullen worden geacht. […]