Beperkt effect Wet opsporing terroristische misdrijven

Op 1 februari 2007 is de Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven in werking getreden. Elke jaar wordt een rapport geschreven om de uitwerking van de wet in de praktijk in de gaten te houden. Recent verscheen het rapport over het vorige jaar.

Het nieuwe rapport, Signalen van terrorisme en de opsporingspraktijk, opgesteld door het Wetenschappelijk Onderzoeks  en Documentatiecentrum, bestrijkt de periode februari 2008 tot februari 2009.  De wet is bedoeld om onderzoek naar terroristische misdrijven eerder en langer mogelijk te maken. In de wet wordt onder meer het volgende geregeld:

  • Er is een lichter criterium geïntroduceerd voor de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden, namelijk het bestaan van aanwijzingen dat een terroristisch misdrijf zal worden gepleegd. 
  • Om de effectiviteit van het verkennend onderzoek te vergroten zijn er twee bepalingen opgenomen die zien op het vorderen van geautomatiseerde gegevensbestanden en identificerende gegevens zoals naam, adres en administratieve kenmerken.
  • In daartoe – al dan niet permanent – aangewezen gebieden zijn de mogelijkheden om personen en voertuigen te onderzoeken verruimd.
  • Het is mogelijk gemaakt om bij verdenking van een terroristisch misdrijf bewaring te bevelen, zonder dat er sprake hoeft te zijn van ernstige bezwaren. 
  • Het moment waarop de verdachte van een terroristisch misdrijfinzage krijgt in alle processtukken kan langer worden uitgesteld, doordat de voorlopige hechtenis tot maximaal twee jaar extra kan voortduren.

De belangrijkste conclusies uit het rapport zijn:

De mogelijkheid om de informatiete delen met de RID brengt mee dat maar betrekkelijk zelden terrorismegerelateerde informatie in de vorm van een CIE-pv naar een tactisch team gaat. Volgens geïnterviewden gebeurt dit hoogstens enkele keren per jaar. De Wet opsporing terroristische misdrijven heeft met dit alles geen wezenlijke gevolgen gehad voor de CIE’s en de verstrekking van CIE-informatie aan de opsporing, voorzover deze mogelijk betrekking heeft op terroristische misdrijven, is evenmin veranderd.

De monitor laat zien dat er in het tweede jaar dat de wet van kracht is, beperkt ervaring is opgedaan met het gebruik van de nieuwe wet. Er is in dit jaar enige ervaring opgedaan met de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden op grond van aanwijzingen, er is één keer bewaring bevolen buiten ernstige bezwaren en in één permanent veiligheidsrisicogebied is gebruik gemaakt van de nieuwe opsporingsbevoegdheden, namelijk in het buitengebied Schiphol. Er zijn in deze periode geen verkennende onderzoeken geweest op dit gebied, er zijn er geen nieuwe veiligheidsrisicogebieden vastgesteld waarin gebruik is gemaakt van de nieuwe bevoegdheden, en er is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot langer uitstel van inzage in processtukken.

Kijken we naar het resultaat van de bestudeerde opsporingsonderzoeken, dan kunnen we constateren dat geen van de onderzoeken heeft geleid tot vervolging wegens verdenking van het plegen of beramen van een terroristisch misdrijf. Alle onderzoeken – zowel de ‘aanwijzingenonderzoeken’, als de ‘verdenking-onderzoeken’ – zijn vroeg of laat gestopt wegens gebrek aan strafrechtelijk voldoende bewijs tegen de personen die hierin centraal stonden.

Lokale kopie: Signalen van terrorisme en de opsporingsprakijk