Eerste Kamer niet overtuigd van bewaarplicht noodzaak

De Eerste Kamer wordt door de evaluatie van de bewaarplicht niet overtuigd van de noodzaak ervan. De minister negeert de kritiek. 

Vandaag werd het verslag van een schriftelijk overleg tussen de vaste commissies voor Veiligheid en Justitie, die voor de JBZ-Raad en de minister van Veiligheid en Justitie over de bewaarplicht gepubliceerd.

In de brief van 31 mei aan de minister van Veiligheid en Justitie schrijven de commissies:

De vaste commissies voor de JBZ-Raad en voor Justitie hebben met belangstelling, maar vooral ook met teleurstelling kennis genomen van het rapport van de Europese Commissie met een evaluatie van de richtlijn dataretentie (Richtlijn 2006/24/EG). De commissies vinden het rapport niet bevredigend. Zij missen vooral een overtuigende analyse van de noodzaak (‘pressing social need’) van de richtlijn en zijn van mening dat het rapport onvoldoende aandacht besteedt aan de proportionaliteit van dataretentie zoals geregeld in de richtlijn. Verder gaat het rapport niet in op de vele mogelijkheden die er zijn om de bewaarplicht te omzeilen, waardoor ook inzake de effectiviteit van de richtlijn dataretentie bij de commissies nog steeds vele vragen leven.

Hoofdstuk 5 van het rapport heeft betrekking op de rol die bewaarde data spelen in het strafrecht en de rechtshandhaving. De commissies vinden dit hoofdstuk niet bevredigend. Zij wijzen in dit verband op het feit dat de bewijsvoering die in het rapport is gehanteerd, methodologisch aanvechtbaar is. Zo is er niet aangetoond dat in de aangehaalde casusposities bewaargegevens een rol spelen waarvoor de richtlijn dataretentie is bedoeld en dat deze juist beschikbaar waren vanwege de (wettelijk voorgeschreven) bewaartermijn. Dit geldt in het bijzonder voor de door Nederland aangevoerde 24 gevallen. In dit verband wordt bovendien gesproken van het opleveren van “bewijs”, terwijl bewaargegevens niet meer kunnen zijn dan een opsporingsmiddel dat aanleiding geeft om tot bewijs te komen. Deze casusposities hebben trouwens alleen betrekking op vaste telefonie, een communicatiemiddel dat zijn betekenis spoedig zal hebben verloren. […]

De commissies vinden verder dat de Europese Commissie wel erg gemakkelijk heenstapt over de uitspraken die de constitutionele hoven in Duitsland, Tsjechië en Roemenië hebben gedaan. Deze hebben de implementatiewetgeving in strijd met hun nationale constituties verklaard.

Ook over een aantal andere onderdelen van het rapport leven bij de commissies diverse vragen.

De minister reageerde op 27 juni daarop met:

Voorzover de vragen en opmerkingen van de leden van uw commissies betrekking hebben op het evaluatierapport van de Europese Commissie of op het optreden van de Europese Commissie jegens de lidstaten, wil ik mij van een reactie daarop onthouden omdat ik mij dan op een terrein zou begeven waarop de Europese Commissie bevoegd is. Daarom geef ik de leden van de vaste commissies in overweging deze vragen en opmerkingen rechtstreeks ter kennis te brengen van de Europese Commissie of het Europese Parlement.