Inzage persoonsgegeven alleen gemotiveerd te weigeren

Afbeelding: Justice sends mixed messages van Dan4th Nicolas | Licentie: CC BY

Waarom iemand inzage wil in zijn persoonsgegevens, is niet belangrijk. Iedereen heeft dat recht en het belang wordt verondersteld, zegt de rechter.

Twee weken geleden deed de Raad van State uitspraak in een zaak tussen een patiënt en een ziekenhuis. De patiënt wilde inzage in de persoonsgegevens die door het ziekenhuis over haar werden verwerkt. Het belangrijkste geschil was de vraag of het ziekenhuis ook inzicht moest geven in wie het dossier hadden bekeken. De rechter vond van wel. De rechter besprak ook enkele andere punten.

De reden van een verzoek tot inzage is niet belangrijk:

Uit de tekst van artikel 35, tweede lid, van de Wbp volgt immers dat de verantwoordelijke een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens dient te verstrekken, los van het doel dat betrokkene met het verzoek voor ogen heeft. Zoals de rechtbank voorts met juistheid heeft overwogen, geeft de Wbp aan een ieder het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt en wordt het belang bij een zodanig verzoek door de Wbp verondersteld.

De betogen van het UMCG dat [wederpartij] niet een zodanig belang heeft gesteld dat een inbreuk op de privacy van de medewerkers van het UMCG is gerechtvaardigd en dat het aansprakelijk is voor fouten van ondergeschikten en het zonder wettelijke plicht niet is gehouden om een verklaring tegen zichzelf af te leggen, zijn niet gericht tegen de aangevallen uitspraak en leiden om die reden niet tot vernietiging van de uitspraak.

Een beroep op de uitzonderingsgronden moet goed gemotiveerd worden:

Het UMCG heeft artikel 35, tweede lid, van de Wbp op grond van artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp buiten toepassing gelaten in zoverre het verzoek van [wederpartij] strekt tot mededeling van de namen van degenen die het medisch dossier in het Poliplus-systeem hebben geraadpleegd. Het UMCG heeft echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom het buiten toepassing laten van artikel 35, tweede lid, van de Wbp in dit geval noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. […]

Het belang bij een zodanig verzoek wordt door de Wbp verondersteld. Daarom en omdat het in dit geval verwerking van persoonsgegevens in het kader van een digitaal medisch dossier betreft, staat het belang van [wederpartij] om haar rechten op grond van artikel 35 en 36 van de Wbp uit te kunnen oefenen, zoals zij terecht betoogt, voorop. Met de enkele overweging in het besluit van 9 december 2010 dat ook een inbreuk op de privacy van medewerkers van het UMCG moet zijn voorzien bij de wet en moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft het UMCG niet een weging verricht die hieraan recht doet.

Zie ook het commentaar in Inzagerecht Wbp ziet ook op overzicht van personen die gegevens hebben gezien bij Dirkzwager Advocaten.