Minister reageert op vragen over differentiatie bewaartermijnen

Uit het verslag van het overleg van de vaste commisie van Justitie van de Tweede Kamer bleek dat er onder de leden veel vragen zijn over het eerder afgesproken verschil in de bewaartermijnen van de gegevens van internet en telefonie. Naar aanleiding van dit overleg reageerde de Minister van Justitie gisteren met een nota.

Het wetsvoorstel dat de bewaarplicht voor internetgegevens moet gaan inperken van twaalf naar zes maanden wordt op dit moment behandeld in de Tweede Kamer. Eind januari was er een overleg van de vaste commissie van Justitie. Uit het verslag van dit overleg bleek dat er onder de leden van de commissie veel vragen zijn over het eerder afgesproken verschil in de bewaartermijnen van de gegevens van internet en telefonie. Naar aanleiding van dit overleg reageerde de Minister van Justitie gisteren met een nota. Hierin schrijft hij onder meer:

De bewaartermijn van 6 maanden voor internetgegevens geeft een minder grote belasting voor de internet service providers om zich in te stellen op de bewaring van de betreffende telecommunicatiegegevens dan de termijn van 12 maanden. Voor hen is het bewaren van telecommunicatiegegevens in de omvang waarin de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens hen verplicht vreemd aan hun bedrijfsprocessen, en het betekent een grotere aanpassing van hun bedrijfsvoering dan voor de aanbieders van mobiele en vaste telefonie. […] Anders dan de aanbieders van vaste of mobiele telefonie zijn deze aanbieders bovendien minder vertrouwd met het verstrekken van telecommunicatiegegevens aan politie en justitie. Omdat het gaat om een groot aantal aanbieders ligt het in de lijn der verwachting dat het aantal verzoeken om verstrekking van telecommunicatiegegevens per aanbieder aanzienlijk lager zal zijn dan bij de klassieke telefonie – waar enkele grote aanbieders actief zijn – hetgeen tevens consequenties zal kunnen hebben voor de afwegingen over de investeringen die zij plegen om de gegevens te kunnen ontsluiten.

[De leden van de fractie van de SGP] vroegen wat het wezenlijke onderscheid is tussen enerzijds inernettelefonie en anderzijds traditionele telefonie, mobiele telefonie en Voice over IP. De regering maakt onderscheid tussen de verschillende vormen van telefonie door de functionaliteit en belangrijkste kenmerken van de geboden telefoniedienst voorop te stellen. Zo maken traditionele telefonie, mobiele telefonie en Voice over IP bijvoorbeeld gebruik van het Nationale Nummerplan, is doorschakeling mogelijk en wordt toegang geboden tot het alarmnummer 112. Voor de verkeersgegevens van deze vormen van telefonie geldt een bewaartermijn van 12 maanden. Voor de verkeersgegevens van spraakdiensten die gebruik maken van het internet, en niet over deze functionaliteiten beschikken, geldt een bewaartermijn van 6 maanden.

De SGP merkte op dat de regering meldt dat de politie een grote behoefte zou hebben aan de historische communicatiegegevens via internet, maar dat in de praktijk van het opvragen van die gegevens nog niet veel gebruik wordt gemaakt.

In antwoord op deze vraag merk ik op dat er een aantal – met elkaar samenhangende – redenen is te noemen waarom gegevens met betrekking tot historische communicatie via het internet in de praktijk niet zo vaak worden gevorderd als gegevens met betrekking tot historische communicatie via telefonie. Weliswaar bestaat sinds 1 september 2004 de bevoegdheid om naam- en nummergegevens met betrekking tot communicatie via het internet te vorderen, pas relatief recent is een aantal aanbieders van telecommunicatiediensten en -netwerken in staat om (mondjesmaat) verkeersgegevens over internetcommunicatie op vordering van de autoriteiten te verstrekken. Hierdoor is de bekendheid met die mogelijkheid en de waardering van de potentiële waarde van dergelijke gegevens nog vrij beperkt. […]

De minister gaat ook in op een aantal vragen over de kosten die de markt moet maken voor het voldoen aan de bewaarplicht:

Het bedrag van 0,8 miljoen euro betreft de totale kosten voor geheugen dat benodigd is voor de opslag van gegevens gedurende een periode van een jaar voor de gehele markt. De grote aanbieders, die meer dan 90 % van de markt dekken en in ruim 95 % van de informatiebehoefte van de bevoegde autoriteiten voorzien, hebben een groter gegevensvolume en zullen dus hogere kosten hebben voor de aanschaf van geheugen dan de kleine aanbieders. In het onderzoek van Verdonck, Klooster & Associates BV (VKA) uit 2006 is voor de berekening van de kosten op nationaal niveau gerekend met een model van 5 grote aanbieders (tot 5 miljoen accounts), 20 middelgrote aanbieders (tot 500 duizend accounts) en 255 kleine aanbieders (tot duizend accounts). VKA heeft berekend dat de kosten voor de kleine aanbieders 2% bedragen van de totale kosten. Als we deze verhouding toepassen op de kosten voor geheugen dan betekent dit dat 255 kleine aanbieders 2% van 0,8 miljoen dragen voor de kosten van geheugen. Voor het totaal van de kleine aanbieders betekent dit een totaalbedrag van 16.000 euro voor de opslag van gegevens voor de periode van een jaar. Bij een bewaarperiode van 6 maanden zullen de kosten navenant lager liggen. Per kleine aanbieder zullen de investeringskosten voor geheugen derhalve niet hoger liggen dan 100 euro. De middelgrote en grote aanbieders nemen 98 % van de kosten voor hun rekening. Voor deze aanbieders zou dit per aanbieder neerkomen op ruim 31 duizend euro. Daarbij dient bedacht te worden dat het verschil tussen de grote en middelgrote aanbieders significant is. De grote aanbieders zullen het leeuwendeel van de investeringskosten voor geheugen dragen.