Transparantie vorderingen gevaar staatsveiligheid

Afbeelding: facebook van pshab | Licentie: CC BY-NC 2.0

De staatssecretaris acht transparantie over de vorderingen van opsporingsdiensten een gevaar voor de staatsveiligheid en houdt de cijfers daarom achter de hand.

De staatssecretaris schrijft in reactie op kamervragen:

[…] Bent u van mening dat het vrijgeven van [informatie over het aftappen van telefoonverkeer door opsporingsdiensten] het risico met zich mee brengt dat personen hun gedrag daarop gaan afstemmen?

[…] Het risico dat personen hun gedrag afstemmen op basis van deze informatie acht ik aanvaardbaar, maar dit risico neemt toe naarmate de cijfers verder [uitgesplitst] worden.

Bent u van mening dat voor het aftappen van telefoons en sociale media door opsporingsautoriteiten dezelfde juridische en democratische controlemechanismen moeten gelden?

Zou u alsnog inzicht willen geven in de mate waarin sociale media door de opsporingsautoriteiten gevolgd wordt? Zo nee, zou u deze weigering dan willen toelichten in het licht van artikel 68 van de Grondwet?

De inlichtingenplicht van bewindspersonen tegenover de Staten-Generaal, zoals vastgelegd in artikel 68 van de Grondwet, is een uitermate belangrijk staatsrechtelijk beginsel. Het parlement kan zijn controletaak niet goed uitvoeren indien het niet over de daarvoor noodzakelijke informatie beschikt. Zoals de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitvoerig uiteen heeft gezet in een brief over de reikwijdte van artikel 68 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011-2012, 28362, nr. 2) stelt dit artikel evenwel ook een grens aan de inlichtingenplicht, namelijk bij gevallen waarin het verstrekken van de gevraagde informatie in strijd is met het belang van de staat. Hiervan is naar mijn oordeel in dit geval sprake.