Uitbreiding wetsvoorstel gedwongen afstaan DNA van minderjarige

Met een aanpassing van een voorgestelde wet moet het mogelijk gaan worden om minderjarigen te dwingen DNA-materiaal af te staan, ook zonder diens toestemming en zonder dat de minderjarige verdacht wordt van een strafbaar feit. Op die manier kan ook op een later moment beter aangetoond worden of er sprake van een zedenmisdrijf.

In de vierde nota van wijziging (van het wetsvoorstel tot wijziging van Wetboek van Strafvordering en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden):

Bij eerste nota van wijziging bij dit wetsvoorstel […] is aan de officier van justitie, na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris, en de rechter-commissaris de bevoegdheid toegekend om van een minderjarige, die niet wordt verdacht van een misdrijf, zonder zijn toestemming celmateriaal te laten afnemen en te gebruiken ten behoeve van DNA-verwantschapsonderzoek, indien dat in het belang van het onderzoek is.

Deze bevoegdheid is beperkt tot de bij die nota van wijziging in de artikelen 151da, tweede lid, en 195g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aangewezen misdrijven. Het gaat hier om mensensmokkel […], te vondeling leggen van een kind […], mensenhandel […], mensenroof […] of kindermoord of –doodslag […]. Bij de onderhavige nota van wijziging wordt aan deze ernstige misdrijven een aantal ernstige zedenmisdrijven toegevoegd. […].

Deze misdrijven waren in de eerste nota van wijziging niet aangewezen omdat ten tijde van de totstandkoming van die nota uitgegaan werd van de situatie dat na de verkrachting of ontucht sperma aanwezig zou zijn met behulp waarvan de verwantschap zou kunnen worden vastgesteld tussen het slachtoffer en de verdachte van het misdrijf. Niet gedacht was aan de situatie waarin de verkrachting of ontucht pas veel later wordt ontdekt doordat een baby wordt geboren of een foetus wordt verkregen als gevolg van een abortus of miskraam.